Spiegels

 

Geachte aanwezigen.

 

Het is zondagmiddag.

U bent in De Lage Oorsprong.

Van Borsselenweg 36.

In Oosterbeek.

Dat is een feit.

 

Ik citeer:

 

1           De wereld is alles, wat het geval is.

1.1        De wereld is de totaliteit van de feiten, niet van de dingen.

1.11     De wereld wordt door de feiten gedefinieerd en daardoor dat het alle feiten zijn.

1.12     Immers, het geheel van de feiten bepaalt wat het geval is en ook wat allemaal niet       het geval is.

 

Dit zijn de eerste vier stellingen uit de Tractatus logico-philosophicus van Ludwig Wittgenstein, misschien wel het beroemdste filosofische boek uit de vorige eeuw. Wittgenstein schreef het precies honderd jaar geleden, tijdens de eerste wereldoorlog, hij was toen in dienst van het Oostenrijkse leger. In het voorwoord schrijft hij: "Ik ben dus van mening de problemen in wezen voorgoed te hebben opgelost." En zijn oplossing vat hij samen in de volgende zin: "Wat gezegd kan worden, kan duidelijk worden gezegd; en waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen." Waarop Wittegenstein, de oorlog was inmiddels afgelopen, zijn enorme kapitaal - hij was een van de rijkste mannen van Europa - weggeeft aan zijn zussen en zijn broer en een baan aanneemt als dorpsonderwijzer in een gat ergens in Oostenrijk. Dat werd geen succes, maar dat is een ander verhaal.

 

De wereld is alles, wat het geval is. De wereld is de totaliteit van de feiten. Vandaag is het zondag. Dat is een feit. Wij zitten in de tuin De Lage Oorsprong. Dat is een feit. Let wel, geen nep-feit, geen alternatief feit, geen Trump-feit, gewoon een feit.

 

***

 

Nog zo'n feit. Begin dit jaar verscheen de Nederlandse vertaling van een boek dat de Roemeen Eugen Chirovici in het Engels had geschreven. De titel: Boek der spiegels. De verteller, Peter Katz, een literair agent, krijgt een brief van ene Richard Flynn, die kennelijk een boek geschreven heeft en de eerste hoofdstukken opstuurt ter beoordeling. Het boek is autobiografisch, het speelt in 1987, en het heeft behalve de schrijver Richard Flynn nog twee centrale figuren: een jonge vrouw, Laura Baines, en een hoogleraar, Joseph Wieder.

 

Na een korte inleiding van Peter Katz krijgt u de betreffende hoofdstukken uit het boek van Richard Flynn te lezen. Er zijn drie hoofdpersonen. Flynn studeert Engels in New York. Laura Baines studeert cognitieve psychologie. Joseph Wieder is hoogleraar psychologie. Richard en Laura krijgen een relatie. Laura werkt nauw samen met haar hoogleraar. En Richard mag bij wijze van bijbaantje diens bibliotheek catalogiseren. En dat is dat. Feiten, feiten, feiten.

 

Maar wil een boek een beetje spannend zijn, dan moet het u ook nieuwsgierig maken. Nieuwsgierig naar de andere feiten. Nieuwsgierig naar wat u nog niet weet. Nieuwsgierig naar de rest van het boek van Flynn. Het eerste deel van dat boek eindigt niet voor niets met een cliffhanger: Flynn zit in de sneeuw in een taxi, Laura is verdwenen, en de professor is vermoord. En natuurlijk gaat Peter Katz, de literair agent , op zoek naar de rest van het manuscript. Maar de schrijver ligt in coma in het ziekenhuis, zijn vrouw weet van niets, en het manuscript is nergens te vinden.

 

Tot zover deel 1 van het Boek der spiegels. Deel 2 wordt geschreven door ene John Keller, een journalist die wordt ingehuurd door de schrijver van deel 1 om de rest van het manuscript op te sporen. En dan wordt het ingewikkeld. Laura Baines, de enige overlevende van de drie, heeft haar naam veranderd en vertelt inmiddels een heel ander verhaal over wat er destijds is gebeurd. Keller vindt ook andere getuigen, en allerlei details, maar het lukt hem niet om de zaak op een rij te krijgen. Hij geeft zijn opdracht terug. U bent nog steeds nieuwsgierig naar wat u nog niet weet. Maar er is ook twijfel gezaaid aan wat u dacht al wel te weten.

 

Gelukkig is het boek nog niet uit. Er is een deel 3. Dat wordt geschreven door Roy Freeman, een gepensioneerd rechercheur die destijds betrokken is geweest bij het onderzoek naar de moord op Wieder. Er is een ontwikkeling in die zaak: iemand die al tijden voor een andere moord in de gevangenis zit, ene Frank Spoel, heeft bekend dat hij ook Wieder heeft vermoord. Roy Freeman zoekt hem op in de gevangenis om zijn verhaal te horen. De moordenaar vertelt heel gedetailleerd wat er op de betreffende avond, dertig jaar geleden, in het huis van Wieder is gebeurd. Maar ook dat verhaal kan niet kloppen. Want even later praat Freeman met de voormalige klusjesman van Wieder, Derek Williams, en die bekent dat hij het was die de fatale klap heeft gegeven. En dan is het boek uit, en je blijft achter in verwarring.

 

Deel 1: nieuwsgierig. Deel 2: twijfel. Deel 3: verwarring. Heel irritant, want een fatsoenlijke whodunnit wordt aan het begin een moord gepleegd en weet je aan het eind wie het gedaan heeft en waarom. Maar van dit boek raak je alleen maar in de war.

 

Of moet je het misschien heel anders lezen? Is de centrale vraag niet 'Wie heeft het gedaan?' maar 'Wie heeft het verteld?' Bestaat er eigenlijk wel zoiets als een wereld van losse feiten? Wordt datgene wat wij een feit noemen niet pas een feit in het kader van een verhaal? Een verhaal dat alles te maken heeft met wie het vertelt, en hoe het komt dat die verteller zijn werkelijkheid nou net zo construeert? Moeten we niet af van dat geloof in feiten en in plaats daarvan gaan denken in termen van verhalen, van constructies?

 

Als je met deze gedachte in je achterhoofd het Boek der spiegels herleest, valt er inens van alles op. Laat ik een paar voorbeelden noemen. De verteller van deel drie, voormalig rechercheur Roy Freeman, is dertig jaar na dato fanatiek gaan graven in die oude moord op Joseph Wieder. Waarom eigenlijk? Het blijkt dat hij dat doet om zijn geheugen te trainen. Een maand of zes geleden is bij hem het begin van Alzheimer geconstateerd, hij merkt dat er gaten vallen in zijn geheugen en hij wil het zo lang mogelijk trainen. De verteller van deel twee, John Keller, heeft een opleiding creatief schrijven gevolgd aan de Universiteit van New York. Creatief schrijven. Een belangrijke getuige van de moordzaak lijdt aan retrogade amnesie: hij heeft ooit met een hoofdwond in het ziekenhuis gelegen en kan zich van zijn leven voor die tijd helemaal niets herinneren. Er is af en toe sprake van herinneringsvervalsing, het verschijnsel dat wij denken dat we iets hebben meegemaakt terwijl dat helemaal niet waar is, we hebben het alleen maar gehoord, of het is ons gesuggereerd. En de vermoorde hoogleraar psychologie, Joseph Wieder, hield zich bezig met geheim onderzoek naar de mogelijkheid om militairen van hun oorlogstrauma's af te helpen door langs chemische weg hun geheugen te wissen.

 

Ik begon mijn verhaal vanmiddag met feiten, feiten, feiten. En het lijkt alsof het Boek der spiegels daar ook over gaat: iedereen is, dat hele boek lang, op zoek naar de feiten. Maar, zo staat het aan het eind van het boek: "Allemaal hadden ze ernaast gezeten en alleen maar hun eigen obsessies door de ramen gezien waar ze doorheen hadden proberen te kijken, terwijl het in wezen aldoor spiegels bleken te zijn geweest."

 

****

 

Je denkt dat je door het raam naar buiten kijkt. Maar in feite kijk je in een spiegel. Een fascinerende en verwarrende gedachte. Een oude gedachte ook. Ik neem u mee naar Tomi, een dorpje aan de Zwarte Zee in het huidige Roemenië. Tegenwoordig heet dat Ovidiu, naar de Romeinse dichter Ovidius die daar begraven ligt. Hij was door keizer Augustus verbannen naar Tomi, destijds aan de uiterste grens van het Romeinse rijk, en daar stierf hij, in eenzame ballingschap, in het jaar 17 na Christus, dit jaar precies 2000 jaar geleden.

 

Ovidius is de schrijver van de Metamorfosen, een meesterwerk vol fantastische verhalen over goden en nimfen en helden. Neem het verhaal over Echo, een nimf met een naam die past in het verhaal van de spiegels. Echo. Je kijkt naar buiten naar de wereld, maar wat je ziet dat ben je zelf. Je hoort daarbuiten een geluid, maar wat je hoort dat ben je zelf, het is je eigen echo. Dat oude verhaal van Echo, u kent dat wel. Zeus, de oppergod, is getrouwd met Hera, maar hij ligt regelmatig op een bergrug met allerlei nimfen te vrijen. En telkens als Hera argwaan krijgt, houdt Echo haar met haar verhalen aan de praat, zodat de nimfen tijd hebben om te vluchten. En als Hera die truc in de gaten krijgt, dan straft zij Echo door haar voorgoed de mond te snoeren. Zij kan niet meer praten. Ze kan alleen maar terugkaatsen wat zij als laatste heeft gehoord. Dat verhaal, daar komt het woord 'Echo' vandaan.

 

Terug naar Ovidius. Echo, de nimf, wordt verliefd. En dat is lastig, als je niet kunt praten. En dan is ze het uitgerekend ook nog op Narcissus, een jongeman, een prille schoonheid die stapels aanbidders heeft maar daar helemaal niets van wil weten. En die dus ijlings op de vlucht slaat als Echo in het bos achter hem aanzit. Maar met die Narcissus is weer wat anders aan de hand. Bij zijn geboorte heeft de ziener Tiresias voorspeld dat hij een hoge leeftijd zou bereiken, tenminste, zolang hij zichzelf niet kent. En een van zijn afgewezen minnaars heeft in woede en wanhoop de wens geuit dat ook Narcissus zou ervaren wat het is om verliefd te zijn op een ongrijpbare geliefde.

 

Die wens wordt ingewilligd. Vermoeid van het vluchten valt hij neer bij een meertje in het bos, helder, rimpelloos. En als hij voorover buigt om wat te drinken ziet hij een schone jongeling, en wordt op slag verliefd. En het is wederzijds: als hij lacht dan lacht die ander met dezelfde verliefde glimlach naar hem terug. Maar als hij hem wil kussen, of zijn hand naar hem uitsteekt, dan verdwijnt de geliefde in de rimpels van het wateroppervlak. Onbereikbaar. Narcissus kwijnt weg. Hij wordt verteerd door liefde en verdriet. Er blijft uiteindelijk niets van hem over. Waar ooit zijn lichaam was, staat enkel nog een gele bloem in witte bladerkrans. De narcis. De bedwelmende geur van die bloem werkt verlammend, verdovend. Vandaar ons woord narcose, dat via het Griekse woord 'narkè', dat is de naam van zo'n verlammende sidderrog, verwant is met de naam van de narcis. En met die van Narcissus.

 

Narcissus was verliefd op zichzelf. Vandaar ook ons woord 'narcisme'. Een narcist is verliefd op zichzelf, hij heeft een grote behoefte aan bewondering, aan macht, aan succes, aan status, aan bezit, het is eigen ik eerst en de ander is hooguit een middel. Deze fixatie op de spiegel, deze aandacht voor het eigen ik, lijkt de afgelopen decennia steeds sterker te worden. De term 'het ik-tijdperk' stamt van de schrijver Tom Wolfe, uit 1976. Drie jaar later schreef Christopher Lasch een geruchtmakend boek met als titel De cultuur van het narcisme. Het boek The Closing of the American Mind van Bloom verscheen in 1987, en in 2005 schreef Harry Kunneman een boek over 'het dikke-ik'. Of denk aan de vele recente boeken waarin schrijvers van naam tot meerdere eer en glorie van zichzelf hun diep verdriet over het verlies van een geliefde te gelde maken. Of denk aan Trump met zijn 'America first', wat toch voornamelijk neerkomt op 'Trump first'. Of aan Poetin die half naakt op een paard zijn sixpack laat bewonderen. Om nog maar te zwijgen van mensen die zonodig een verhaal moeten houden in Tuin De Lage Oorsprong.  

 

****

 

De narcist kijkt verliefd in de spiegel. O, wat ben ik mooi. O, wat ben ik geweldig. Je ziet jezelf daar staan, aan de andere kant van het glas, en je geniet. En je hebt niet in de gaten dat er met die wereld aan de andere kant van de spiegel iets raars aan de hand is. Aan deze kant heb je een wereld van vlees en bloed. Maar die wereld aan de andere kant is onstoffelijk. Het is een wereld die je kunt kennen, maar je kunt hem niet pakken.

 

Dat lijkt misschien raar, maar in feite is het heel gewoon. Een voorbeeld. Neem een boom. Dat is zo'n ding waar je naar toe kunt lopen en dan je armen er omheen en dan word je heel gelukkig. Zo'n boom is tastbaar, die kun je pakken. Maar kijk nou eens even niet naar die concrete boom, maar naar het begrip 'boom'. Dat begrip is niet tastbaar, je kunt het niet pakken. Zo'n begrip heeft geen takken en geen blaadjes, je kunt het niet planten en je kunt het niet omzagen. Er als er ooit geen bomen meer zouden zijn, dan bestaat het begrip nog steeds.

 

Kennelijk leven wij in twee werelden. Aan de ene kant heb je de wereld van de dingen die je kunt pakken, de wereld van het lichaam. Aan de andere kant de wereld van de ideeën die je kunt begrijpen, de wereld van de geest. Dat onderscheid is al heel oud. Je vindt het bijvoorbeeld bij Plato. U kent misschien het voorbeeld wel dat hij geeft in het Symposium, over schoonheid. Stel, je ziet iemand, en die is mooi. Dat mooie lichaam is tastbaar, je kunt het aanraken. Als je daar eenmaal oog voor hebt, herken je die schoonheid ook in andere mooie mensen. En al kijkend en vergelijkend dringt er iets door van wat dat nou eigenlijk is, schoonheid, los van die concrete gevallen. Plato noemt dat een eidos, een idee. Plato is een dualist, volgens hem zijn er twee werelden. Enerzijds de wereld van dat lichaam, dat mooi kan zijn maar uiteindelijk zal sterven. En anderzijds de wereld van het idee 'schoonheid', een idee dat volmaakt is, en onvergankelijk. Dat lichaam kun je aanraken. En dat idee kun je kennen, dat kun je begrijpen.

 

Even terug naar de spiegel. Aan deze kant sta ik, een ding, tastbaar, vlees en bloed. Wereld nummer één. Aan de andere kant zie ik een beeld van mijzelf, dat kan ik zien, dat kan ik snappen, maar het is niet tastbaar. Wereld nummer twee. Wij zitten in Tuin De Lage Oorsprong, wereld nummer één. Daar kun je over nadenken: hoe is hij ontstaan, hoe moet je hem onderhouden, wat wil je er mee in de toekomst, wereld nummer twee. Als u nou overstapt van wereld nummer één naar wereld nummer twee, van zijn naar bewustzijn, dan noemen we dat spiegelen, of ook wel bespiegelen.

 

U hebt daar misschien nog nooit zo bij stilgestaan, maar dat is de reden dat er zoveel boeken en films en documentaires zijn met het woord 'spiegel' in de titel. Ik heb thuis een boek met afbeeldingen van schilderijen uit de 17e eeuw, schilderijen van zeeschepen; dat boek heet Spiegel der zeilvaart. Jacob van Maerlant, een beroemde Vlaamse dichter uit de dertiende eeuw, schreef een dikke wereldgeschiedenis onder de titel Spieghel historiael. Er zijn boeken als Spiegel van de Nederlandse poëzie, of Debussy in de spiegel van zijn tijd, of een boek over de Haagse School met als titel Spiegel van Holland. Of denk aan een intrigerend boek als Spiegel van de ziel van Hofstadter en Dennett, over de problematiek van de relatie tussen hersenen en bewustzijn. En als u nog niet genoeg hebt kunt u ook nog oude boeken zoeken met het woord 'speculum' in de titel, dat is het Latijnse woord voor spiegel. Daar komt ons woord 'speculeren' vandaan, dat net als het woord 'bespiegelen' duidt op de overgang van het lichaam dat hier in de tuin zit naar de geest die er over nadenkt.

 

****

 

Geachte aanwezigen.

 

Het is zondagmiddag.

U bent in De Lage Oorsprong.

Van Borsselenweg 36.

In Oosterbeek.

Dat is een feit.

 

En nou zet ik in die tuin een spiegel neer, en dan wordt de wereld ineens op een uiterst merkwaardige wijze verdubbeld. De vraag rijst dan wat nou precies de rol van die tweede wereld is ten opzichte van de eerste.

 

Daar is in de loop van de eeuwen heel verschillend over gedacht. Ik zal een paar voorbeelden geven.

 

1           Als eerste een boek van Lewis Carroll dat u allemaal ooit hebt gelezen, het vervolg op Alice in Wonderland, met de titel Through the Looking-Glass, in het Nederlands vertaald als Alice in spiegelland. Alice klimt op de schoorsteenmantel en ontdekt dat ze door de spiegel heen kan. Aan de andere kant komt ze in een merkwaardige wereld waarin de schaakstukken leven, waarin de rode koningin heel hard kan rennen en de witte koningin zich de toekomst herinnert, waarin Humpty-Dumpty 364 dagen per jaar zijn onverjaardag viert en de dikke tweelingbroertjes Tweedledum en Tweedledee suggereren dat Alice alleen maar bestaat in de droom van de witte koning die onder een boom zit te snurken. Enzovoort. Wat is hier de rol van die wereld achter de spiegel? Het is de wereld van de fantasie, van de verbeelding, van de literatuur. U zit hier in de tuin, dat is een feit. Maar in uw gedachten kunt u wegdromen naar verre landen, naar het verleden, naar de toekomst. Die tuin kan dat niet.

 

Dat was nummer één. De wereld achter de spiegel is de wereld van de fantasie.

 

2           Heerlijk zo'n fantasie. Eventjes weg uit de harde realiteit. Maar straks, als u weer thuis bent, dan kunt u nog zo hard met uw kop tegen de spiegel beuken, maar u komt er niet doorheen. Dan zit u weer met dezelfde grote vragen van altijd, vragen die de grote filosoof Immanuel Kant herleid heeft tot de volgende drie: Wat kan ik weten?, Wat moet ik doen?, en Wat mag ik hopen? En u zoekt naar antwoorden, want, om Socrates te citeren: een leven zonder kritisch onderzoek is de moeite van het leven niet waard.

 

En daarmee ben ik terug bij Plato. Bij Plato is de tweede wereld niet die van de fantasie, maar die van de ideeën. En dat is wezenlijk wat anders. Met fantasie kun je alle kanten op, maar ideeën liggen vast, die zijn eeuwig en onveranderlijk. Ideeën kun je kennen, dat is een kwestie van inzicht. Daar vindt je antwoorden op al je vragen. Neem maar weer even een boom. Stel, u loopt door het bos en u ziet een boom. Wat zou dat zijn voor een boom? De boswachter weet het: dat is een eik. Hij weet dat, niet omdat hij die boom al eens eerder persoonlijk heeft ontmoet, maar omdat hij het idee van een eik in zijn hoofd heeft.  

 

"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,

Wie is de mooiste van 't hele land?"

"O, koningin, heel mooi bent u.

Maar Sneeuwwitje over de bergen

bij de zeven dwergen

is duizend- en duizendmaal mooier nu!"

 

Dat was nummer twee. De wereld achter de spiegel is de wereld van de waarheid, de wereld van het inzicht.

 

3           Maar is dat inzicht wel voor ons weggelegd? Hebben wij niet allemaal ons eigen verhaal en onze eigen waarheid? Zijn de praatprogramma's en de coachingbureau's en de zelfhulpboeken geen bewijs voor het feit dat we het gewoon niet weten? Is dat enorme zelfvertrouwen uit het oude Griekse denken wel terecht? Is een bijbelse benadering niet beter, met een mens die uit het paradijs is weggejaagd, en mens die beschadigd is en zondig en die het zonder hulp niet redt?

 

Een citaat uit de Bijbel, uit de eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs, hoofdstuk 13. "Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren. Doch, als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben."

 

Maar dat moet je dan wel geloven. Of op zijn minst hopen. Want anders kom je bij Ingmar Bergman terecht. En bij de film die hij maakte met de titel Als in een donkere spiegel. Die film gaat over Karin, een vrouw die met haar vader, haar man en haar jongere broer op vakantie is op een verlaten eiland in de Oostzee. Karin is geestesziek, ze komt net uit een inrichting. Ze heeft visioenen, ze hoort stemmen, ze denkt dat God haar wil straffen. Haar vader zoekt houvast in de fantasie, hij schrijft een roman over haar ziekte. Haar man zoekt houvast in de kennis, hij is arts, en geeft haar een injectie. En haar jongere broer is een puber, die heeft nog geen houvast. Zijn zoektocht naar het hogere komt nog niet veel verder dan seks. Seks met zijn zus in dit geval. En aan het eind van de film wordt Karin per helikopter teruggebracht naar de inrichting. Gods zwijgen heet de trilogie van Bergman waar dit de eerste film van is. De andere twee zijn De avondmaalsgasten en De grote stilte.

 

Dat was nummer drie. De wereld achter de spiegel is de wereld van het geloof, de openbaring, het hiernamaals, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

 

****

 

Geachte aanwezigen.

 

Het is zondagmiddag.

U bent in De Lage Oorsprong.

Van Borsselenweg 36.

In Oosterbeek.

Dat is een feit.

 

Maar je hoeft maar even in de spiegel te kijken om te snappen dat de wereld niet zo simpel in elkaar zit. Daar komt heel wat denkwerk, heel wat constructie bij kijken. Fantasie, bij de Alice van Lewis Carroll. Inzicht, bij de ideeënleer van Plato. Geloof, hoop en liefde in de brieven van Paulus.

 

En daarmee ben ik terug bij het begin, bij het Boek der spiegels. Er is een moord gepleegd. De professor, dat is toch bij uitstek een man van de feiten, is vermoord. En wat er nou eigenlijk precies gebeurd is, dat komt je niet te weten. Want iedereen blijkt daar zijn eigen verhaal over te hebben. En al die verhalen, dat zijn constructies. Constructies die iets zeggen over wat er is gebeurd, maar ook iets zeggen over diegene die er naar kijkt, en die er een verhaal van maakt.

 

Het lijkt zo simpel. Wie ken ik nou het beste van iedereen? Mezelf toch? Maar ook dat zelfbeeld is een kwestie van constructie. Met als basismateriaal de verhalen die ik vertel over anderen en die anderen vertellen over mij. Volgens Simone de Beauvoir, in haar boek De tweede sekse, maakt het daarbij uit of je een man bent of een vrouw. Want met name de vrouw construeert haar zelfbeeld langs de omweg van de blik van de ander. Daarom hebben vrouwen altijd wel ergens een spiegeltje bij zich.

 

Een man heeft een date met een onbekende vrouw. Spannend. Hoe ziet ze er uit?

Een vrouw heeft een date met een onbekende man. Spannend. Hoe zie ik er uit?